Risico-inventarisatie en -evaluatie in geval van zwangerschap in de zorgsector

- Gezonde werkomgeving | Beheersing van uw risico's | Zorg
Eddy Eerdekens

Expert Hilde Vanacker

Verantwoordelijke Discipline Arbeidsgeneeskunde

De preventieadviseur-arbeidsarts adviseert, de werkgever beslist

Sommige aspecten van het werk in de zorgsector kunnen de gezondheid en de veiligheid van aanstaande moeders en hun toekomstige kinderen schaden. Werkgevers zijn daarom verplicht om de risico’s in kaart te brengen om vervolgens aangepaste maatregelen te kunnen nemen om werknemers die zwanger zijn of die net moeder zijn geworden te beschermen. Voor de risico-evaluatie die aan mogelijke preventiemaatregelen voorafgaat kan u terecht bij IDEWE.

Het is de taak van de preventieadviseur-arbeidsarts om de werkgever te adviseren over moederschapsbescherming.

Het is de taak van de preventieadviseur-arbeidsarts om de werkgever te adviseren over moederschapsbescherming. De bescherming is bedoeld voor werkomstandigheden of blootstellingen aan agentia die een risico kunnen betekenen voor de gezondheid van de toekomstige moeders maar ook voor de gezondheid van kersverse mama’s die borstvoeding geven en van hun kind. De preventieadviseur-arbeidsarts gaat in eerste instantie de gezondheidsrisico’s inventariseren en evalueren om nadien de gepaste maatregelen te kunnen voorstellen aan de werkgever. Ze baseren zich hiervoor op een lijst van wettelijk verboden agentia en anderzijds een niet-limitatieve lijst van te evalueren agentia.

Verhoogd risico

De preventieadviseur-arbeidsarts oordeelt aan de hand van de aard, de mate en duur van de blootstelling en aan de hand van de aan- of afwezigheid van preventiemaatregelen of een gezondheidsrisico al dan niet verhoogd is. Dat betekent dat, in vergelijking met de alledaagse extra-professionele activiteiten, de kansen op schadelijke effecten op de moeder en/of het kind ten gevolge van de beroepsactiviteiten significant toegenomen zijn.

Werkgever als eindverantwoordelijke

De arbeidsarts kan suggesties en raadgevingen formuleren.

De resultaten van deze risico-evaluatie en de te nemen maatregelen per preventieprofiel worden opgenomen in een rapport moederschapsbescherming om voor te leggen aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk.

Deze maatregelen kunnen genomen worden:

  1. een tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden
  2. een mutatie naar een andere, voor haar toestand toelaatbare arbeid
  3. een schorsing van de arbeidsovereenkomst of vrijstelling van de arbeid

De arbeidsarts kan suggesties en raadgevingen formuleren, maar beslist uiteindelijk niet zelf over werkaanpassing, werkverandering of -verwijdering. Het is de werkgever die daar de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor draagt.

Risico’s voor zwangere of zogende vrouwen in de zorgsector

De belangrijkste risico’s voor zwangere en zogende vrouwen in de zorgsector zijn van chemische, fysische, biologische, fysieke en psychosociale aard.

Chemische agentia

Anesthesiegassen

De verouderde en nog zelden gebruikte anesthesiegassen halothaan en chloroform staan op de lijst van de verboden agentia, zowel tijdens de zwangerschap als tijdens de lactatie. Andere inhalatie-anesthetica (lachgas en fluranen) behoren tot de te evalueren agentia aan de hand van de risicoinventarisatie en -evaluatie. Zwangere vrouwen mogen niet blootgesteld worden aan concentraties van deze anesthesiegassen boven de limiet- en/of grenswaarden. Metingen van de concentraties aan anesthesiegassen in de omgevingslucht moeten daarom op regelmatige basis uitgevoerd en herhaald worden. Deze metingen tonen doorgaans aan dat de grenswaarden voor aanstaande moeders niet overschreden worden, mits naleving van strikte voorzorgsmaatregelen:

  • voldoende algemene ventilatie;
  • voldoende lokale afzuiging van anesthesiegassen;
  • geen assistentie verlenen bij inductie met gas, bv. kinderanesthesie;
  • geen gebruik van open systemen voor toediening van gassen;
  • regelmatig onderhoud van anesthesietoestellen;
  • goede werkmethodes toepassen

Cytostatica en andere schadelijke geneesmiddelen

Antimitotische geneesmiddelen staan op de lijst van verboden agentia, zowel tijdens de zwangerschap als gedurende de lactatie. Ook van andere geneesmiddelen is gekend dat ze schadelijk zijn: monoclonale antistoffen, bepaalde immuunsupressiva, antimycotica en antivirale middelen.

Het risico voor zorgverleners hangt af van:

  • blootstellingswijze: inhalatie, dermaal contact, accidentele ingestie, injectie
  • frequentie van manipulatie
  • gebruik van collectieve beschermingsmiddelen: ventilatie, bioveiligheidskasten, …
  • persoonlijke beschermingsmiddelen: overschort, handschoenen, …

Binnen een ziekenhuis komen potentieel toxische agentia voor op verschillende afdelingen. Blootstelling is mogelijk tijdens het ganse traject van bereiding van potentieel toxische stoffen tot afvalverwijdering.

Andere chemische agentia

Zwangere werkneemsters mogen niet blootgesteld worden aan mutagene, teratogene, carcinogene stoffen of stoffen die schade in het genetisch materiaal kunnen veroorzaken. Chemische stoffen, gecodeerd met volgende risicoaanduidingen, houden verhoogde risico’s in voor de zwangere vrouw en het ongeboren kind:

  • H340: kan genetische schade veroorzaken
  • H341: verdacht voor het veroorzaken van genetische schade
  • H350: kan kanker veroorzaken
  • H351: verdacht voor veroorzaken van kanker
  • H360: kan vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden
  • H361: kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden
  • H362: kan schadelijk zijn via borstvoeding.

Deze risicoaanduidingen zijn terug te vinden op het etiket en de productinformatiefiche.

Voorbeelden van zo’n schadelijke stoffen gebruikt in sterilisatieafdelingen of laboratoria zijn tolueen, xyleen, formaldehyde, ethyleenoxide ...

Fysische agentia

Ioniserende stralen zijn teratogeen, mutageen en carcinogeen. De werkgever moet ervoor zorgen dat de arbeidsomstandigheden zodanig zijn dat de stralingsdosis van het ongeboren kind, ten gevolge van het werk van de moeder, zo laag als redelijkerwijs mogelijk is en dat de dosis van het ongeboren kind kleiner blijft dan 1 mSv. Daarom moet elke radioactieve bestraling vermeden worden tijdens de zwangerschap. Werkaanpassing of werkverwijdering is noodzakelijk.

Biologische agentia

Enkele biologische agentia (bacteriën, virussen, parasieten) of hun therapeutische maatregelen kunnen het ongeboren kind schade toebrengen als de moeder tijdens de zwangerschap besmet geraakt als gevolg van blootstelling op het werk. Zij kunnen worden doorgegeven via de placenta of tijdens of na de bevalling, bijvoorbeeld door borstvoeding of door nauw lichamelijk contact tussen moeder en kind.

De manier waarop men met het risico moet omgaan is afhankelijk van de risicobeoordeling. Die zal in de eerste plaats rekening houden met de aard van het biologisch agens, de manier waarop de besmetting wordt verspreid, de kans op blootstelling en de getroffen voorkomingsmaatregelen.

Voor volgende infectieziekten is de potentiële overdracht naar de foetus gekend. Het risico op besmetting moet vermeden worden door het nemen van passende preventieve maatregelen:

  • Rubella: bij aanvang van het werk in de gezondheidszorg wordt aangeraden om de vaccinatiestatus te laten bepalen door serologische screening en bij twijfel de vaccinatie te herhalen. Seronegatieve zwangere werkneemsters mogen niet instaan voor de verzorging van patiënten met rubella.
  • Cytomegalovirus (CMV): de in de gezondheidszorg normale hygiënemaatregelen, zoals handen wassen na contact met mogelijk besmet materiaal en het gebruik van handschoenen en handalcohol, zijn voldoende om besmetting tegen te gaan.
  • Parvovirus B19: bij epidemie van parvovirus B 19 mogen zwangere vrouwen geen contact hebben met kinderen met parvovirusinfectie of het vermoeden ervan.
  • Herpes Simplex virus (HSV): overdracht van herpes simplex virus tijdens het uitvoeren van verzorgende taken is onwaarschijnlijk. Zwangere personeelsleden die frequent speekselcontact hebben (bv. tandartsen) wordt aangeraden om strikte hygiënische maatregelen toe te passen bij de verzorging.
  • Varicella Zoster Virus: bij het starten van het werk wordt geadviseerd om te screenen op varicella zoster infectie. Een positieve anamnese van doorgemaakte infectie volstaat. Bij een negatieve anamnese is het bepalen van de immuunstatus aanbevolen. Wanneer de immuunstatus negatief is, laat men zich best vaccineren.
  • Hepatitis B: alle personeelsleden in de gezondheidszorg die kans hebben op contact met lichaamsvochten of risico lopen op accidentaal bloedcontact door prik- of spatongeval, moeten zich laten vaccineren tegen hepatitis B. Zwangere werkneemsters die nog niet of onvolledig gevaccineerd zijn of onvoldoende immuniteit ontwikkelden na vaccinatie, worden tijdens de zwangerschap niet ingeschakeld in de patiëntenzorg. Het virus kan ook overgedragen worden via de moedermelk. Moeders die borstvoeding geven met onvoldoende bescherming tegen hepatitis B worden eveneens niet tewerkgesteld in de patiëntenzorg.
  • Hepatitis C: zwangere werkneemsters mogen geen verzorgende taken uitvoeren bij hepatitis C-positieve patiënten. Sociaal contact met deze patiënten is wel toegelaten. Ter preventie van prik- of spatongevallen worden bloednames steeds verricht met het gesloten vacuümsysteem en wordt er zo veel mogelijk gebruik gemaakt van beveiligde scherpe materialen. Zwangere personeelsleden voeren geen instrumenterende taken uit in het operatiekwartier. Ze mogen evenmin niet-gescreende humane stalen manipuleren in de laboratoria.
  • Humaan immunodeficiëntie virus (HIV): de preventiemaatregelen zijn gelijkaardig als de maatregelen voor de preventie van hepatitis C. HIV kan ook via moedermelk overgedragen worden. De preventiemaatregelen zijn bijgevolg ook van toepassing op vrouwen die borstvoeding geven.

Fysieke en psychosociale beroepsrisico’s

Lichaamshouding en -beweging

Zwaar fysiek belastend werk tijdens de zwangerschap en vooral tijdens de laatste 3 maanden van de zwangerschap geeft meer kans op vroegtijdige contracties, laag geboortegewicht en prematuriteit. Het manueel hanteren van lasten (richtwaarde 10kg) is daarom niet toegelaten gedurende de laatste 3 maanden van de zwangerschap.

Onregelmatige werktijden en nachtarbeid

Een onregelmatig werk- en rustpatroon, ploegendienst met avond- en nachtdiensten en overwerk zijn vermoeiend en belastend voor zwangere vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat er een verhoogd risico is op vroeggeboorte en een laag geboortegewicht. Overwerk is verboden gedurende de hele periode van de zwangerschap. Nachtarbeid is niet verplicht voor een zwangere werkneemster tijdens de laatste 8 weken van de zwangerschap of eerder met een medisch attest.

Agressie op het werk

Agressie kan leiden tot angst en werkstress. De zwangere werkneemster is ook zichtbaar extra kwetsbaar. Vanaf 16 weken groeit de baarmoeder buiten de beenderige structuur van het bekken en is er meer risico. Bij buikgerichte agressie kan de placenta scheuren of het ongeboren kindje zelfs overlijden. Ook is de zwangere vrouw minder in staat om adequaat op te treden bij incidenten. Haar reactiesnelheid ligt lager, ze is vlugger vermoeid wat vluchten bemoeilijkt. IDEWE adviseert de verwijdering uit het risico agressie vanaf de vierde zwangerschapsmaand of vermoedelijke bevallingsdatum -5 maanden +1 dag.

Voor meer informatie kan u steeds terecht bij uw preventieadviseur-arbeidsarts of een regionaal kantoor van IDEWE.